Hadeïcum: het ontstaan van de aarde |
De geologische ontstaansgeschiedenis van de aarde begint in het Hadeïcum, het tijdvak van circa 4.700 tot 3.700 miljoen jaar geleden. Het Hadeïcum is genoemd naar de Griekse god Hades, de god van het dodenrijk. Hades' dodenrijk wordt in de mythologie omschreven als een onherbergzaam en duister gebied en doet denken aan de aanblik die de vroege aarde moet hebben gehad.
Ontstaan van de aarde
Ongeveer 13.250 miljoen jaar na het ontstaan van het heelal ontstond de aarde. Onze planeet is ongeveer 4.700 miljoen jaar oud.
De aarde en de andere planeten werden gevormd door stofdeeltjes die in gaswolken rond de zon draaiden en samenklonterden tot een grote klomp.
Planeten in wording worden planetesimalen genoemd. Ze botsen af en toe tegen elkaar, waarbij nieuwe planetesimalen ontstaan. Ook de jonge aarde kwam in botsing met een planetesimaal, die half zo groot was als de aarde en een veel kleinere massa had. De beide planetesimalen versmolten. Grote delen van de buitenste lagen van de aarde werden de ruimte ingeslingerd. Dat materiaal kwam in een baan om de aarde terecht en klonterde samen. Zo is de maan ontstaan.
Verder lezen:
De aanblik van de aarde in het Hadeïcum
Toen de aarde net was ontstaan, was de aardkorst nog vloeibaar. De aarde was een gloeiende bol.
Omdat de aarde van binnen enorm heet is, ontstond er een warmtestroming vanuit de kern naar de buitenkant van de aarde. Het vloeibare gesteente stroomde naar de buitenkant van de aarde, terwijl het afgekoelde gesteente naar beneden zakte. Deze zogenaamde convectiestroming is vandaag de dag nog steeds aan de gang in de mantel van de aarde. Het zorgt ervoor dat het aardoppervlak in beweging blijft, waardoor ook de aardplaten bewegen.
In de eerste vijfhonderd miljoen jaar na het ontstaan van de aarde regende het meteorieten op aarde. Daardoor werd de temperatuur in de atmosfeer zo hoog, dat de aardkorst vloeibaar bleef.
Na ongeveer honderd miljoen jaar werden de meteorietregens minder. De meeste meteorieten in het zonnestelsel waren inmiddels neergeslagen op de aarde of op één van de andere planeten, of ze waren het heelal ingeslingerd.
In de daaropvolgende honderd miljoen jaar koelde de aarde aan de buitenkant af. Vanaf dat moment, ongeveer vierduizend miljoen jaar geleden, was er vast gesteente op aarde.
De atmosfeer in het Hadeïcum
Uit het binnenste van de jonge aarde ontsnapten gassen. Zij vormden de oeratmosfeer die bestond uit grote hoeveelheden waterdamp, stikstof, ammonia, waterstof, methaan, zwavelwaterstof en koolmonoxide. Een vergelijkbaar gasmengsel komt ook nu nog vrij bij vulkaanuitbarstingen.
Uit de oeratmosfeer regende water op de aarde neer. Samen met het water dat door inslaande kometen (als ijs) op de aarde terechtkwam, vormde dit de eerste oceanen. Ook kwam er water vrij bij vulkaanuitbarstingen.
De temperatuur in het Hadeïcum
De zon scheen minder krachtig dan tegenwoordig, omdat ze nog jong was en de kernfusies in haar binnenste moesten nog op gang komen. Ook was de zon daardoor kleiner dan tegenwoordig, waardoor ze een kleiner stralend oppervlak had. Toch was het op aarde erg warm door de isolerende oeratmosfeer. De zonnewarmte kwam wel binnen de gaslaag, maar kon er niet uit. Er was sprake van een broeikaseffect.
Het leven in het Hadeïcum
Er was nog geen leven op aarde. De atmosfeer bevatte nog geen zuurstof. Daardoor was er ook nog geen ozonlaag die de schadelijke UV-straling van de zon tegenhield. De meeste vormen van leven zouden door deze straling vernietigd zijn. De giftige gassen in de oeratmosfeer maakten de aarde verder ongeschikt voor praktisch alle vormen van leven zoals we die nu kennen.
In de zogenaamde oersoep ontstonden in deze periode wel de voorlopers van het leven. De oersoep bestond uit anorganische stoffen, zoals stikstof, waterstof en koolstof, die waren opgelost in water. Uit deze anorganische stoffen vormden zich onder invloed van energie (bliksem, straling, vulkaanuitbarstingen) organische verbindingen: aminozuren en nucleotiden. Er ontstonden ketens van nucleotiden: nucleïnezuren. Sommige nucleïnezuren ontwikkelden zich tot complexe organische moleculen die zichzelf konden kopiëren en verdubbelen en informatie konden bevatten. Deze nucleïnezuren waren waarschijnlijk RNA-moleculen.