Home

Zoeken

Zoek in 6489 artikelen


    Ordovicium: het ontstaan van de eerste vissen

    Ordovicium: ca. 500 tot 440 miljoen jaar geleden

    Deze periode is genoemd naar de volksstam van de Ordovices, die in Wales (engeland) leefde, in het gebied waar tegenwoordig de sedimenten uit het Ordovicium duidelijk zichtbaar zijn. De tijdperknaam 'Ordovicium' werd in 1879 ingevoerd als de periode tussen het Cambrium en het Siluur (die tot dan toe in elkaar overgingen), omdat de fauna in het Ordovicium een eigen, ander karakter had dan die van het Cambrium en het Siluur.
    Aanblik van de aarde in het Ordovicium

    Het continent Gondwana lag bij de Zuidpool. Het was er bitter koud en het land werd voor een groot deel overdekt met gletsjers.
    Door bewegingen van de aardkort verplaatste het continent Avalonia zich verder in noordelijke richting over de aardbol. Omdat het continent richting de Tropen verhuisde, was het er minder koud dan op Gondwana.

                                            de ligging van de continenten in het Ordovicium

    Op het land kwamen vrijwel alleen schimmels en algen voor, samen met enkele eerste landplanten.

    De atmosfeer in het Ordovicium

    De samenstelling van de atmosfeer in het Ordovicium was vrijwel hetzelfde als in het Cambrium: de atmosfeer bestond voor ca. 15 % uit zuurstof en voor de rest voornamelijk uit koolstofdioxide en stikstof.

    De temperatuur in het Ordovicium

    In de loop van het Ordovicium werd de temperatuur op aarde lager. Aan het eind van dit tijdperk ontstond een ijstijd, waardoor veel soorten uitstierven. Tijdens deze ijstijd werd veel zeewater opgeslagen in de vorm van landijs. Het zeewater verdampte en sloeg neer op aarde in de vorm van sneuuw. Hierdoor werden dikke pakken sneeuw gevormd, waarvan het water niet meer terugkeerde naar zee. Hierdoor daalde de zeespiegel en kwamen veel kustgebieden droog te liggen.

    Gletsjers op Gondwana
    Het leven in het Ordovicium

    In de ondiepe zeeën ontwikkelde het leven zich verder. De trilobieten en de armpotigen uit het Cambrium werden door talrijke nieuwe groepen vervangen. Naast trilobieten kwamen vooral zeelelies, mosdiertjes, graptolieten en armpotigen voor.

    De diergroepen (fyla) die gedurende het Cambrium waren ontstaan ontwikkelden zich verder en er ontstonden binnen de fyla allerlei variaties.

    Aan het eind van het Ordovicium ontstonden de eerste vissen. De eerste vissen waren diertjes zonder kaken. Deze vissen zogen via een kleine mondopening kleine voedseldeeltjes van de modderige zeebodem op en zeefden deze met hun kieuwen uit het water. Om zich tegen grotere roofdieren - zoals zeeschorpioenen - te beschermen, schoten ze de modderbodem in. Als ze voorzien waren van een stevig pantser, was dat niet nodig. De meeste vertegenwoordigers van deze groep waren voorzien van een stevig pantser van beenplaten, waarmee ze zich ook tegen de roofzuchtige zeeschorpioenen konden beschermen.

    Roofzuchtige zeeschorpioenen (Eurypteride) in het Ordovicium

    Naast vrij zwevende algen ontwikkelden zich nu ook plantjes in zee. Zij vestigden zich in ondiepe zeeën, in de buurt van het land.
    Kalkalgen vormden soms kleine, rifachtige structuren.