Home

Zoeken

Zoek in 6435 artikelen


    Siluur: de eerste echte landplanten en de eerste haaien

    Siluur: ca. 440 tot 410 miljoen jaar geleden

    Deze periode is genoemd naar de Silures, een volksstam uit Wales (Engeland). In Wales is het Siluur duidelijk terug te vinden in de gesteentelagen.

    Aanblik van de aarde in het Siluur

    Avalonia - met daarop het toekomstige Nederland - schoof steeds dichter tegen Baltica aan. Baltica was, evenals Gondwana en Laurentia (ook wel Laurazië genoemd) een brokstuk van het oude continent Rodinia. Doordat Baltica en Avalonia naar elkaar toeschoven, ontstonden vulkanen en gebergten. Beide continenten lagen rond de evenaar.
    Gondwana lag rond de Zuidpool.


                                                         de ligging van de continenten in het Siluur

    Het land werd nu door meer landplanten bevolkt, wat het land het een minder lege aanblik gaf.


    vulkanen in Nederland  (Avalonia)
    De atmosfeer in het Siluur

    Doordat het zuurstofgehalte in de atmosfeer verder steeg, ontstond een ozonlaag. De O2-molekulen (zuurstof) veranderden door onweer in  O3-molekulen (ozon).
    Deze ozonlaag beschermde de aarde tegen ultraviolette straling en maakte het leven op het land mogelijk. De ozonlaag beschermt de aarde overigens nog steeds tegen ultraviolette straling.

    De temperatuur in het SIluur

    Na de ijstijd aan het eind van het Ordovicium werd het weer warmer op aarde. Avalonia en Baltica hadden, door hun ligging, beiden een tropisch klimaat en op Gondwana was het klimaat gematigd tot koud.

    Het leven in het Siluur

    In zee leefden veel bodemdieren, zoals mosdiertjes en armpotigen. Er scharrelden ook kaakloze pantservissen rond op zoek naar voedsel. Deze diergroepen leefden van zwevende plantjes en diertjes die ze uit het water filterden.

    Door het ontstaan van kaken konden vissen zich ontwikkelen tot succesvolle jagers. Aan het eind van het Siluur ontstonden ook de eerste haaiensoorten. Deze vissen hebben een skelet van kraakbeen en zijn in het bezit van kaken.

    Ongewervelde dieren, bijvoorbeeld reuzenschorpioenen en duizendpoten, waren door het ontstaan van de beschermende ozonlaag in staat om de getijdezones (de gebieden met eb en vloed) te koloniseren. Dit waren wellicht de eerste dieren die ook (tijdelijk) aan land konden leven.


    de eerste dieren gaan aan land

    Tegelijkertijd kon de plantengroei op het land zich verder ontwikkelen door de beschermende ozonlaag.
    De eerste landplanten waren vaatplanten. Ze beschermden zich tegen uitdroging door een waslaag en door huidmondjes. Zo gingen ze verdamping tegen. In hun stengels hadden ze vaten, met water erin. Het water zorgde voor een druk tegen de wanden van de vaten (turgor), waardoor deze stevig bleven en de plant rechtop kon blijven staan.
    De verovering van het land beperkte zich aanvankelijk tot gebieden langs de kust en langs meren en rivieren. De sporen van deze primitieve planten hadden namelijk een vochtige omgeving nodig om te ontkiemen.