Eugenetica |
Het uitgangspunt van de eugenetica is dat alleen gezonde en in alle opzichten zo perfect mogelijke idividuen zich zouden mogen voortplanten. Het streven naar de verbetering van de mensheid door middel van selectie heeft zeer oude wortels in onze westerse beschaving. Al in de Oudheid schreef de filosoof Plato in zijn utopisch boek De Republiek over het selectief kweken van mensen.
Francis Galton
De grondlegger van de moderne eugenetica is de Engelse natuurwetenschapper en wiskundige Francis Galton (1822-1911), een neef van Darwin. Galton bepleitte menselijke selectie door middel van zorgvuldig gearrangeerde huwelijken tussen getalenteerde mensen. Darwin zelf had morele bezwaren tegen dergelijke ideeën.
In het begin van de twintigste eeuw werd eugenetica gepropageerd door diverse organisaties in verschillende westerse landen, Australië en Japan. In de Verenigde Staten leidde dat tot de invoering van immigratiequota: zogenaamde "inferieure" mensen, bijvoorbeeld immigranten uit Zuid-Europa, waren minder welkom dan "superieure" Noord-Europese immigranten. Ook bepleitte men en ging men zelfs tot de jaren '70 effectief over tot het steriliseren van zwakzinnigen en krankzinnigen, en van kinderen met een geestelijke handicap of epileptische aandoening.
Zwaar beladen term
Tijdens de Tweede Wereldoorlog voerden de nazi's een bruut raciaal uitroeiingsbeleid ten opzichte van joden, kleurlingen, zigeuners, en lichamelijk of geestelijk gehandicapten. Sinds 1945 en de vernietiging van het nazisme is de term eugenetica zwaar beladen. Toch blijft het idee van het verbeteren van de menselijke soort en de eliminering van erfelijke aandoeningen bestaan.
terug naar de tijdbalk biotechnologie